Edam – Volendam, living apart together

Dames en Heren,

650 jaar geleden, 750 jaar geleden, 1000 jaar geleden. Hoe verder we teruggaan in de geschiedenis van ons gebied , hoe dunner de stem van de historicus klinkt. Maar zeker schijnt te zijn dat de wieg van de eerste Edammers en van de eerste Volendammers in het zuidelijk deel van Noord Holland heeft gestaan: we komen beide van een Gooische matras.

Het landschap van toen zouden we niet meer herkennen als het onze: geen groen vlak land zoals nu, maar hoge, bolle veenkussens die zich wel 5 meter boven de zeespiegel verhieven en soms wel 25 kilometer in omvang waren. Een gebied, dat zeker in de natte periodes vrijwel onbegaanbaar was. Maar toen, vanaf de tiende eeuw, kwam er in onze streken een verandering in het klimaat: jaren lang viel er weinig of geen regen meer. Voor het hoogveen dat voor groei afhankelijk is van regenwater, was dit catastrofaal. Het veen werd steeds minder drassig, werd steeds beter begaanbaar.
Dat was spek voor de bek van de hoge heren, de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht: meer land, meer macht, meer rijkdom. Als heuse projectontwikkelaars stimuleerden zij de ontginning: elke pionier werd de status van halfvrije pachter aangeboden en de belasting werd voor hem teruggebracht tot het ‘tiende recht’.
Daardoor ontstond er vanaf het jaar 1100 een soort wildwest situatie. Families die op de zandgronden van het Gooi slechts een schamel bestaan vonden, roken hun kans en trokken de Waterlandse en Zeevangse wildernis in. Ze kwamen met bootjes via de veenstroompjes want alleen vanaf het water was het gebied bereikbaar. Op het zelf ontgonnen land bouwde iedere familie een boerderij en was landbouwer, veeteler, jager en visser tegelijk. Tussen 1100 en 1300 vormden zich zo een reeks pioniersdorpen waaronder een dorp rond-een-dam-in-de-Ee en een buurtschapje, aan de monding van ditzelfde riviertje: het begin van Edam en het begin van Volendam.

Met die boertjes uit Het Gooi hebben wij, Edammers en Volendammers, derhalve een gezamenlijke afkomst. Maar genetisch bleef het daar niet bij: eeuwenlang waren er, zoals stambomen laten zien, ook huwelijken over en weer. Met name de Volendammers zochten hun lief voor het leven zo vaak in Edam, dat je in dit opzicht met recht van een moederstad mag spreken. Het waren vrouwen als Geesje Sanders naar wie alle Volendamse Geesjes genoemd zijn en Aaltje Kaan van wie de Edamse meisjesnaam nu nog als bijnaam voortleeft in het dorp.

Hadden de voorvaderlijke pioniers het moeilijk bij het in cultuur brengen van ons gebied, hun nazaten in de volgende eeuwen hadden een zo mogelijk nog harder bestaan. Door het bewerken van het nieuwe land schrompelden de hoge veenruggen in, van 5 meter boven de zeespiegel tot 2 meter er onder. Het inzakkende land overstroomde. Er kwamen dijken en dijkdoorbraken, er kwamen hogere dijken en grotere dijkdoorbraken. Een eeuwenlange, nooit aflatende strijd om huis en haard te beschermen, tegen de natuurelementen.

Maar de Gooische afkomst, de huwelijken en de gezamenlijke strijd tegen het water ten spijt, er ontstonden ook verschillen tussen Edam en Volendam, verschil van leefwijze, verschil van mening.
Edam bracht het 650 jaar geleden tot stad en beleefde in de periode 1550 – 1650 zelfs een gouden stadseeuw met zijn boter en kaas, met zijn scheepswerven, houtindustrie en zoutziederijen en vooral met de zeehandel die daarvan het gevolg was.
De buitenpoorters in de visserswijk Volendam, in de boerenwijk Katham en in de havenwijk Oorgat profiteerden daar mede van. Maar de keerzijde van dat profijt was afhankelijkheid: het gevoel dat ‘er voor hen bij alles in Edam beslist werd’.
Zolang de buurtschappen nog klein waren en, nog belangrijker, zolang zij profiteerden van Edams groei en bloei, hoorde je daar niemand over. Maar dat gebeurde wel toen Edam’s handel en nijverheid steeds meer in verval raakten en Volendam juist groter en steeds rijker werd, met name toen het dorp zo tussen 1800 en 1900 ook zijn gouden eeuw kreeg. Terwijl Edam na de schrale Franse tijd nog lang in een economische versukkeling bleef steken, groeide daar door goede vangsten en door een onverzadigbaar Amsterdam de Volendamse vissersvloot uit van 80 tot 300 botters.

Het ging toen zoals het zo vaak in gezinnen gaat: het dorpse kind geloofde in eigen kunnen en wilde de vleugels uitslaan, maar moedertje Stad wilde doorgaan met bemoederen, en vooral met regelen en beslissen. En het ging tussen die twee steeds minder over gezamenlijke afkomst en familiebanden en steeds meer om het verkrijgen van dorpsmacht en het behoud van stadsgezag.

Zo was er een strijd tegen de pastoor en de kerkraad van Edam om een eigen kerk in het dorp. Zo was er een strijd tegen het gemeentebestuur om verbetering en uitbreiding van de haven, om een eigen onderlinge visafslag, om een hulpsecretarie in het dorp, om gemeentelijke ambtenaren, die ook voor het dorp liefde en belangstelling toonden. Voeg daarbij een aantal pogingen van zowel Edam als Volendam om tot scheiding te komen, leg vanaf 1900 je oor te luisteren in de gemeenteraad of lees in de verkiezingstijd de plaatselijke bladen, en….. het historische en contemporaine beeld is compleet: voor heel Nederland leefden en leven Edam en Volendam als kat en hond en er is geen mediator die ze een millimeter dichter bij elkaar kan brengen.

En juist díé twee gaan nu een jaar lang op harmonieuze wijze samen feest vieren! Is dat een practical joke? Of geldt hier het Volendamse spreekwoord: alleen voor Joppie’s oog?
Nee, het is geen grap en het is niet voor Joppie’s oog. Wie scherp en objectief in het verleden kijkt, ziet dat het steeds overheden waren tegen wie de Volendamse gemeenschap streed: het roomskatholieke kerkbestuur, het gemeentebestuur, maar nooit de burgers. De gewone mensen van Edam en van Volendam gingen de eeuwen door altijd hartelijk met elkaar om.

Dat kunnen we lezen in het verhaal over de brand in 1699, toen tientallen katholieke Volendammers zij aan zij met hun protestante Edamse medebroeders vochten om deze Grote Kerk te behouden.
Ook andersom was er die warme nabuurhulp. Tot 1862 begroeven de Volendammers hun doden in Edam in en bij deze kerk. Een dag voor de begrafenis werd de overledene naar Edam gebracht waar deze bij een familielid, een kennis of een middenstander bij wie het gezin klant was, de nacht mocht overstaan.

Eeuwenlang kleurde de stad ook in hoge mate naar zijn Volendams geklede buitenpoorters. Vele dorpskinderen groeiden op in het weeshuis van Edam, tientallen meisjes dienden bij Edamse boeren en families, elke schooldag voer een trekschuit vol schoolkinderen naar de stad om er het katholiek onderwijs te volgen zolang dat in Volendam nog ontbrak, en tot na de Tweede Wereldoorlog brachten vele bejaarden uit het dorp hun laatste jaren door in Koningshoeve op de Voorhaven.
Er reden trams vol Volendamse vrouwen die in Edam gingen winkelen. De mannen die in het burger liepen, droegen maatpakken van kleermaker Ton of van kleermaker Burghouts, alle gouden sloten kwamen van Boele van der Naten en in elk oud fotoalbum vind je nu nog de portretfoto’s van de Edamse fotografen Siewers en Dorsman.

Maar ook het verkeer andersom had file-neigingen. Dagelijks reed de halve middenstand van Edam met hand-, honden- en paardenkarren naar het dorp om zijn waren te slijten: aardappelen en groenten van Rijkenberg, Dirk en Piet Voorn, Klaas Leek en Klaas Berkhout; brood van Gorter, bloemen van Huisink, stoffen van Munnik en veevoer van Kees van Beers. Ook Sombroek de smid en loodgieter Bij het Vuur waren er regelmatig op klus. Een deel van hen vestigde zich op den duur in het dorp en weer werden Edammers in de Volendammer gemeenschap opgenomen.

Echt, ik overdrijf niet, als ik zeg dat we 650 jaar en meer goede buren voor elkaar geweest zijn, die elkaar bij rampen bijstonden en troostten, en die vaak en graag bij elkaar over de vloer kwamen. De tegenstelling Edam Volendam, in de gemeentelijke arena door de politici van beide kanten zo fel en zo hartstochtelijk beleden, was door de eeuwen heen gelukkig niet veel meer dan een politieke huls.

Wel hebben beiden in de loop der tijd eigen karaktertrekken gekregen.
Zo zijn Edammers dwars. Dwars is niet dom, zoals dat verhaal over een plank die ze overdwars in deze kerk wilden brengen, U zou kunnen doen geloven. Dwarsheid is eigenzinnigheid, weerspannigheid, niet met de grote stroom willen meevaren.
Zo zijn Volendammers druk en luid van keel. Ze kunnen elke ruimte met hun stem vullen. Als de wind van Marken komt, kan je op de Dam verstaan wat er op de Dijk besproken wordt.
Edammers zijn behoudend en wisten daarmee de schoonheid van hun gouden verleden, uitgedrukt in gevels en straatjes, een eigentijdse vorm te geven.
Volendammers laten zich juist weer niets uit het verleden opdringen. Oude huisjes worden aangepast of, liever nog, worden afgebroken om plaats maken voor nieuw en modern: het enige echte monument van het dorp, de Nederlands Hervormde kerk, kon bewaard blijven omdat het nooit in Volendams bezit was.
Edammers passen zich meestal aan aan de omstandigheden: geen uitgebreid winkelbestand? Ach, kleinschaligheid heeft ook zijn voordelen. Kan EVC zich niet meer én zondag- én zaterdagvoetbal veroorloven? Hoe spijtig ook, dan maar verder met één van de twee.
Volendammers daarentegen blijven gaan voor wat zij als een goede zaak zien, soms tegen het beter weten van kenners in, en, o wonder, ze hebben vaak nog succes ook: een eigen middelbare school, profsport in een klein dorp, het bekendste muziekdorp en de beste bouwvakkers van Nederland.

Beiden zijn trots op die eigenheid en weten dat ook van elkaar. Het is daarom een onuitputtelijke bron van plagerijen die over en weer het hart diep kunnen treffen.
Een Volendammer stratenmaker herstraatte het Damplein. Hé, een gastarbeider?, vroeg de voorbijganger. Nee, een ontwikkelingswerker, antwoordde de stratenmaker en hij genoot toen de Edammer even geen weerwoord had.
Maar ook andersom. Elke Volendammer staat op tilt, als een Edammer nonchalant opmerkt dat de oorsprong van de naam Volendam vol Edam is. Of nog erger, als de zwaar bevochten gemeentenaam Edam –streepje- Volendam wordt afgedaan als de gemeente Edam min Volendam.

Het laat zien dat er verschillen zijn, soms grote verschillen. Deze functioneren echter zelden nog als tegenstelling, veel vaker als aanvulling op elkaar.
De kom Edam met zijn statige 17de eeuwse centrum, met zijn buurtwinkeltjes, zijn sportief amateurisme, zijn Mattheuspassion en zijn Noholmuziek.
De kom Volendam met zijn gezellige dijk, zijn winkelcentra, zijn topsporten, zijn operamuziek en zijn palingpop.

De verschillen in mentaliteit en belangstelling tussen Edammers en Volendammers resulteerden in een gemeente vol van afwisseling en leidden tot een zodanig woon- en leefgenot, dat elke andere woongemeente tegenvalt.
Volendammers bekennen dan ook ruiterlijk dat zij daarom honkvast zijn.
Edammers praatten er minder over en zeker ook minder luid, maar zoals bleek uit het onlangs verschenen boekje Exit Edam, hebben ook vele oud Edammers één groot stil verlangen: terug naar Edam streepje Volendam.

Edam is nu 650 jaar stad. Dat is een groot feest waard, óók voor de Volendammer buitenpoorters, met wie de Edammers 1000 jaar geleden samen hun leefgebied in cultuur hebben gebracht, met wie ze door huwelijken verbonden zijn, met wie ze lief en leed gedeeld hebben en met wie ze tenslotte de gemeente gemaakt hebben tot wat deze nu is.

Over 50 jaar zullen onze nazaten het 700-jarig stadsfeest vieren.
Moge ook dan nog alle eigenheden van de Edammers én van de Volendammers onverkort gehandhaafd zijn gebleven: geen smeltkroezen, geen uniformering, east is east, and west is west. Want alleen daarmee is het mogelijk Edam –streepje- Volendam te laten blijven wat het geworden is: een gemeente vol afwisseling, waarin het fijn is om te leven.
Living apart together ofwel een LAT-relatie is zo gek nog niet.

Piet Koning
(toespraak tijdens de opening van het feestjaar 650 jaar Edam-Volendam
op 7 januari 2007 in de Grote Kerk te Edam)